fbpx

Oude regeling

Onder de oude regeling (tot 01-07-2011) moest steeds in het laatste tijdvak van het jaar de genoten BTW-aftrek gecorrigeerd worden. Volgens het hierboven beschreven forfait van de staatssecretaris werd voor de BTW-correctie privé-gebruik auto aangesloten bij het bijtellingsprecentage van de Inkomstenbelasting. Het forfait was 12% x IB-bijtelling. Dit hield met name deze drie zaken in: 
1) De IB-differentiatie naar de mate van verbruik (milieu(on)vriendelijkheid) werkte ook door naar de correctie omzetbelasting. 
2) Woon-werkverkeer is in de IB zakelijk en daarmee ook in de BTW. 
3) Samenhangend met punt 2, in het geval van minder dan 500 km. ‘echte’ privé kilometeradministratie en een sluitende kilometeradministratie die dat bewees, gold een 0%- tarief in de IB en dus geen BTW-correctie. 
 
Voor IB-ondernemers gold hetzelfde, met dat verschil dat de koppeling met de IB niet bij wijze van goedkeuring (forfait) was geregeld, maar wettelijk was geregeld (artikel 15 Uitvoeringsbeschikking). Voor de IB-ondernemer was tegenbewijs naar werkelijk gebruik in beginsel dan ook niet mogelijk. 
Bijzondere tarieven daargelaten komt de oude regeling over het algemeen neer op een jaarlijkse correctie van 3% (12% x 25%) van de catalogusprijs.

Nieuwe regeling

De nieuwe regeling (vanaf 01-07-2011) bevat inhoudelijk een aantal wijzigingen. 
1) De koppeling met de inkomstenbelasting komt te vervallen en het privégebruik is in principe btw verschuldigd over het feitelijke privégebruik.
Om dat te kunnen vaststellen, moet in principe een kilometeradministratie worden bijhouden.   
2) In verband met punt 1, woon-werkverkeer voor de btw wordt niet meer zakelijk beschouwd, maar privé. 
3) In verband met punt 1 en 2, differentiatie naar mileu(on)vriendelijkheid en de <500 km. situaties (0% bijtelling) komt te vervallen. 
4) Door de Belastingdienst is goedgekeurd dat de verschuldigde btw mag worden gesteld op 2,7% van de cataloguswaarde (inclusief btw en bpm) van de auto.
Voor de auto's die meer dan 5 jaar in bezit zijn en voor de auto's die zijn aangeschaft zonder dat daarbij btw-aftrek heeft plaatsgevonden (margeauto's), geldt een lager forfait van 1,5%. 

Bijzondere situaties 

In het besluit van 20 december 2011 geeft de staatssecretaris voor de volgende situaties een tegemoetkoming. 
a) In het geval een auto uitsluitend ter beschikking staat voor woon-/werkverkeer kan wat de staatssecretaris betreft het bijhouden van een kilometeradministratie achterwege blijven. 
Bij een fulltime dienstbetrekking wordt voor het bepalen van het woon-/werkverkeer uitgegaan van 214 dagen. 
Eens per jaar dienen deze kilometers afgezet te worden tegen de totale met die auto gereden kilometers en kan in die verhouding de heffing voor privé gebruik plaatsvinden. 
b) In het geval van auto(verhuur)bedrijven waarbij werknemers of de ondernemer gebruik maken van verschillende auto’s kan uitgegaan worden van een gemiddelde catalogusprijs van de voor privédoeleinden ter beschikking staande auto’s. 
c) Voor auto’s die gekocht zijn zonder dat er BTW in aftrek gebracht kon worden (als voorbeeld wordt de marge-auto genoemd, maar hiervoor kwalificeert ook de niet als ondernemingsvermogen geëtiketteerde auto die wel voor zakelijke doeleinden wordt gebruikt) introduceert de staatssecretaris een forfait van 1,5% van de catalogusprijs. Daar staat een volledig recht op aftrek tegenover. 

(Bezwaar)mogelijkheden

De Hoge Raad in zijn arrest van 30-11-2012 einduitspraak gedaan in de zaak Van laarhoeven en was aangevoerd dat de forfaitaire btw-heffing onvoldoende rekening houdt met het werkelijke privégebruik en dat daarom in strijd is met de Europese regels.
Het forfait is echter alleen instrijd is met de Europese regels, indien een belastingplichtige aantoont dat de heffing hierdoor hoger is dan de btw over de werkelijke kosten van het privégebruik.
Als dit niet wordt aangetoond, of als de forfaitaire heffing lager is, is er geen strijd met de Europese regels.
Hierdoor blijft de btw-heffing in de visie van de Belastingdienst in veel gevallen gerechtvaardigd.
De bewijslast ligt heel diplomatiek steeds bij de ondernemer en het vergaren van passend bewijs zal in een aantal gevallen wellicht net zo veel kosten als het aan voordeel oplevert. 
Dat zal echter niet voor alle gevallen gelden. Het lijkt zaak om per situatie een inschatting te maken welke aanknopingspunten er zijn om een lagere correctie te onderbouwen. 
Is de onderbouwing in zichzelf zo duidelijk en motiveerbaar, dan kan overwogen worden om daar in de aangifte gewoon vanuit te gaan met vastlegging van de onderbouwing in het dossier. 
Komt de fiscus op bezoek, dan stuit ook de fiscus op de onderbouwing en blijft een correctie wellicht achterwege. 
In gevallen waarin er duidelijk strijd is met de nieuwe regeling, maar deze strijd ook te motiveren valt, lijkt het indienen van een bezwaarschrift binnen 6 weken na (voldoening op) aangifte meer opportuun. 
 
Het btw-forfait van 2,7% van de cataloguswaarde van de auto is gebaseerd op 67% privégebruik van de auto.
Tijdens de proefprocedures over het privégebruik heeft de Belastingdienst ook melding gemaakt van een statistisch gebruik voor woonwerkverkeer van 40% van het totaal. 
Samen met 27% voor privégebruik maakt dit de 67% die staat in het model voor de motivering van het bezwaarschrift.
Verder is gevraagd naar de berekening in de model-motivering als het woon-werkverkeer ontbreekt.
Dit kan twee situaties betreffen.
1. Er is feitelijk geen woon-werkverkeer.
In dit geval zou – met inachtneming van het bovenstaande – kunnen worden gesteld dat het forfait kan worden gesteld op 27/60 x 2,7% ofwel 1,22% in plaats van 2,7%.
2. Er is feitelijk wel, maar fiscaal geen sprake van woon-werkverkeer. 
Dit is het geval als een DGA in dienst is van zijn holding op het huisadres en feitelijk reist naar het bedrijfsadres van een werkmaatschappij die geen deel uitmaakt van een fiscale eenheid btw met de holding.
In dit geval zou het forfait kunnen worden becijferd op 1,09% (27/67 x 2,7%) van de cataloguswaarde.
 
Houdt u er in beide gevallen rekening mee dat de Belastingdienst een nadere onderbouwing zal/kan vragen, zeker in die gevallen/branches waarin een zakelijk gebruik van de auto in het algemeen niet of in ieder geval minder dan 33% (of desgewenst 25%; zie bovenstaande) aannemelijk wordt geacht.